Hyperkonstrukties, animaties: de woorden waarmee Marieke de Dale haar lezingen van Van Ostaijen beschrijft. Perk meent dat deze woorden niet verhullen kunnen dat hier iets origineels gebeurt: een close reader die haar ervaring gestalte probeert te geven. (De lezing van De Dale is hier beschikbaar als een animatie van ongeveer 4 minuten.)
Door Marieke de Dale
Bij een herlezing van Van Ostaijens Music Hall cyclus werd ik getroffen door het naamloze gedicht dat met de woorden "Du gute kuddelmuddelmutter Erde" begint. Het is een burleske uitbarsting in gebroken Duits, een Freudiaanse ode aan moedertje aarde waarin de hoofdrol is weggelegd voor een geheimzinnige Fritz von Erde, der Fritzi Massary.
Het gedicht leent zich uitstekend voor declamatie, misschien zelfs met muzikale begeleiding. Het is rijk aan fraaie Duitse vokalen, het bevat een soepel, zij het tegendraads ritme. Het is, zoals veel van Van Ostaijens werk, op eigenzinnige wijze opgemaakt: grote witruimtes tussen opeenvolgende woorden suggereren adempauzes of tellen rust in de woordenmuziek, inspringende zinnen helpen de voordracht te structureren.
Toch lijkt deze indentatie ook een ander doel te dienen. Het suggereert ruimtelijke patronen in het gedicht. Nu zijn we allemaal bekend met Van Ostaijens uitstapjes naar figuratieve dichtkunst: het openingsgedicht van Music Hall is daar een voorbeeld van. Daarin wordt de zinssnede 'binnen haar kring van moedeloosheid' weergegeven in een halve cirkel, waarbinnen een andere halve cirkel, die gezamenlijk de vorm van een amphitheater suggereren. De ruimtelijke structuur die in Fritzi Masary gesuggereerd wordt is echter van een andere orde. Zij wekt niet de indruk een afbeelding van iets concreets te zijn.
Ik besloot een andere lezing te proberen, eentje waarbij het gedicht als een plattegrond zou worden opgevat. Dit bleek tot een wonderlijk coherente lezing te leiden, die ik zo nader zal toelichten. Ik heb gezocht naar een vorm om deze lezing zich a.h.w. natuurlijk te laten voordoen. Dit leidde tenslotte tot de videopresentatie. (Interessant en tegelijkertijd frustrerend is dat er verder geen gedichten van Van Ostaijen bestaan die een dergelijke lezing lijken toe te laten.)
Het gedicht als plattegrond: de woorden als pleinen die met elkaar verbonden worden door een wirwar van straten. Stel je eens voor dat je de lezer van een dergelijke kaart bent. Zou het in je opkomen om de kaart uitsluitend van links naar rechts (van oost naar west) te doorkruisen? Zou je niet veeleer die richtingen opdwalen die je interessant leken in de context van wat je tot dan toe gezien had? Die richtingen op en weer terug, zolang dit uitkomt--in plaats van almaar door door door?
Van Ostaijens gedicht ontmoedigt een dergelijke lezing niet. Dat is belangrijk. Een tegendraadse lezing moet men maar al te vaak met een gevoel van eenzaamheid bekopen: het gevoel dat de auteur verdwenen is, het gevoel dat men grabbelt in een ton vol dubieuze surprises. Niet bij dit gedicht in deze lezing. Er zijn clusters van woorden, ruimtelijke clusters, die elkaar overlappen, die het zwerven mogelijk maken.
De volgende plaatjes tonen de eerste zinnen van het gedicht, de eerste 'naturel', de tweede voorzien van kleurzones die de clusters verbeelden.

In mijn videopresentatie van dit gedicht, heb ik geprobeerd deze lezing te benadrukken. De lezer blijkt een dolende blik te zijn die rondjes dwaalt, talmt bij het toekennen van betekenissen, weigert om een lezing voorgoed te fixeren.
In mijn videolezing bestaan er verschillende gebieden in het gedicht. Wanneer een gebied verkend is, wordt het tijd voor het volgende. Dat is essentieel: het heeft op zeker moment geen zin meer om terug te keren. Dit is tegengesteld aan het doelloos saboteren van de tekst zoals sommige postmoderne critici dat voorstellen. Het blijft een coöperatieve lezing van de tekst.
het gedicht begint met een dialectisch spel waarin 'der Fritz von Erde' voorgesteld wordt. De inzet: Wie is Fritz von Erde? De lezer kan zolang zij wil van vraag naar antoord en weer terug zwerven, zonder daadwerkelijk antwoord te krijgen. Namen verwijzen naar namen, en ofschoon wij ons na afloop wijzer wanen, is er niets verhelderd.
In het tweede stuk voelen wij ons ongemakkelijk, als in een duistere wijk in de buitenstad. Moederliefde wordt aan incest gekoppeld, weliswaar binnen de beschutting van een metafoor, maar alleen al de duistere sisklanken van het woord maken dat we verder willen, dit duistere taboe van ons schudden. Met een opgejaagd gevoel, alsof we vanuit donkere ramen worden gadegeslagen, doorkruisen we het stuk op zoek naar een uitgang.
Wat volgt zijn tussenstukjes, burleske entre-actes, het bruisende nachtleven in het hart van de stad. Ofschoon minder duidelijk aanwezig, wordt ook hier de ruimtelijkheid zelden vergeten:
Daarna volgt een zeldzaam ernstige conclusie, waarvan het traditionele slotwoord in mijn interpretatie slechts een dwaalweg vormt, een blinde steeg waar de weifelende lezer zich terstond uit manouvreert.
De weg naar huis kan aangevangen worden.