Laat ik dit proberen te illustreren door Stijloefeningen te vergelijken met het Wat voor brommertje met verchroomd stuur achter op de binnenplaats?. Beide boeken beschrijven een op zichzelf simpele gebeurtenis op stilistisch verscheidene manieren . Bij Queneau levert dat negenennegentig verhaaltjes op die allen dezelfde gebeurtenis beschrijven. Het is een formele truc die werkt omdat de lezer doorheeft dat hij steeds het zelfde verhaaltje leest. Het is inderdaad niet meer dan een poging te bewijzen dat het mogelijk is een dergelijk boek te schrijven. Het onderzoekt de vorm van het verhaal, maar heeft geen wezenlijke inhoud.
Perec's Wat voor brommertje met verchroomd stuur achter op de binnenplaats? beschrijft het verhaal van een student die onder de dienstplicht wil uitkomen en een aantal vrienden inschakelt om, om dit doel te bespoedigen, zijn arm te breken. De hoofdstukjes zijn kort en hebben steeds een ander stijlfiguur als uitgangspunt. Het verhaal kent echter wel degelijk een ontwikkeling. De stijlfiguren worden steeds bizarder, maar dat geldt ook voor het verhaal. Aan het einde van het verhaal is het allerminst duidelijk wat er nu precies gebeurd is; het is zelfs niet duidelijk hoe die student nu eigenlijk heet.
En toen is iedereen naar huis gegaan. En we hebben nooit meer iets over die mafketel gehoord.
Waarbij Queneau alle raadsels worden opgelost, omdat een structuur of idee wordt geëxpliciteerd, wordt bij Perec het raadsel steeds groter.
Kort samengevat zou ik willen zeggen dat contraintes er bij Queneau toe dienen om een afgeperkte ruimte te creëren, waarbinnen een volmaakt werk kan ontstaan. Perec gebruikt de regels in eerste instantie ook om zijn eigen verteldrift te beteugelen, maar de contraintes leiden bij hem niet tot complete kunstwerken, maar maken zijn werk juist wezenlijk onkenbaar. Denk ook aan de puzzels in Het leven, een handleiding, die uiteindelijk niet afgemaakt kunnen worden omdat het ontbreken van het laatste stukje nu eenmaal tot het wezen van de puzzel hoort.