Schrijver wiens naam begint met een "Q" en daarom voor veel boekenlezers een waardevolle toevoeging aan hun bibliotheek. Zie ook Quintilianus, Quevedo.
Beste M.
Parijs, 19-08
Ik schreef je nog maar enkele dagen geleden en heb je nog niet de kans gegeven me te antwoorden. Dat ik deze brief toch weer aan jou richt komt door de verbondenheid die ik met je voel. Met niemand anders zou ik mijn avonturen in deze stad, die niet ten onrechte de stad der liefde wordt genoemd, kunnen delen. In ieder vluchtig wegdraaiend gelaat van een vrouw zie ik het jouwe, in iedere helder opklinkende stem hoor ik jouw stem, bij het zien van een wulpse ronding verlang ik naar jouw kuise gestalte.
Ik wil je vertellen van mijn ontmoeting met een hoogst curieuze vent. Ik had van hem gehoord via T. die mij ook al op het spoor had gebracht van die malle kerel Perec waarover ik je eerder vertelde. Ik zal T's adviezen voortaan links laten liggen, want zoals ik je ook nu zal vertellen, brengen ze me alleen maar ongenoegen en beschaming.
De figuur in kwestie, die ik voor het gemak Q. zou willen noemen, om hem en mij verdere publieke schande te besparen, trof ik aan in een kleine kamer in het centrum van Parijs. Ik had vernomen dat hij een professor op de universiteit was, maar hij maakte op mij meer de indruk van een ouwelijke student. Zijn begroeting was hartelijk genoeg. Hij nodigde me binnen voor een kop thee en zei dat hij graag zijn laatste werk aan mij wou voorlezen. Nu weet je hoe voorzichtig ik ben met dit soort uitnodigingen. Maar al te vaak gaat het om een middelmatig kunstenaar die probeert door vriendelijkheid zijn gebrek aan talent te verdoezelen. Ik nam mij dus voor kritisch te blijven, maar nam zijn uitnodiging toch met enig enthousiasme aan, aangezien ik door de lange wandeling door de tochtige straten van de stad dorstig was geworden.
Helaas interpreteerde Q. mijn snelle ingaan op zijn uitnodiging als een teken van interesse in zijn werk, met als gevolg dat hij de thee vergat en onmiddelijk aan het declameren sloeg.
De eerste zinnen waren moeilijk te volgen, ook omdat hij met een zwaar accent sprak, dat ik niet onmiddelijk kon thuisbrengen, maar me toch meteen het idee gaf van een nog niet afgeschud plattelandsverleden. Hij sprak over een Spaanse ridder, daarna over een stierenvechter en vervolgens leek het gedicht weer een heel andere kant op te gaan. Na enige tijd zijn van de hak op de tak springende werkstuk te hebben aangehoord onderbrak ik hem met de vraag in welke vorm hij zijn gedicht eigenlijk gegoten had. Ik vreesde dat ik te doen had met een van die nieuwerwetse dichters die rijm en structuur overboord hebben gezet voor een geheel vrijblijvend associëren. Hij verzekerde me echter dat het ging om een sonnet. Ik haalde opgelucht adem, omdat ik daaruit afleidde dat het werkje nu wel bijna ten einde moest zijn en liet hem zijn voordracht hervatten.
Opnieuw werd ik bestookt met grotendeels onbegrijpelijke zinnen. Q. leek zich in het geheel niet bewust van de bizarre inhoud van zijn gedicht. Met toegeknepen ogen ratelde hij de zinnen af. Ik telde mee wachtend op het einde. Na de veertiende regel wilde ik hem complimenteren, men is te gast of men is het niet, en hem aansporen nu toch eindelijk de thee te gaan zetten, maar tot mijn verrassing zette Q. zijn optreden voort. Had ik hier van doen met iemand die de regelen der kunst niet begreep? Was ik getuige van een slinks complot om mij met de belofte van een sonnet een epos door de strot te duwen? Ik werd herinnerd aan die episode met B., die andere Franse poëet, die zijn gedichten over bloed en faecaliën probeerde te laten doorgaan voor ongevaarlijke natuurpoëzie.
Je weet, lieve M., hoezeer ik gesteld ben op de klassieke regels die een versvorm definiëren. Ik was werkelijk geschokt door deze vlegel die zich niet alleen niets aantrok van de regelen der kunst, maar onder valse voorwendselen gebruik maakte van een door oneindig grotere talenten geschapen en vervolmaakte vorm, om zijn eigen ijdele praatjes erin kwijt te kunnen. Ik besloot hem hier direct na beëindiging van zijn declamatie mee te confronteren en de beloofde thee alleen onder het sterkst mogelijke protest te accepteren.
Q. leek echter geenszins van plan zijn voordracht in de nabije toekomst te beëindigen. Hij denderde maar door, zin op zin stapelend, zonder ooit een pauze te laten vallen waarin ik kon interveniëren. Zijn gezicht was gespannen. Eerst dacht ik omdat hij probeerde al die zinnen in de juiste volgorde te persen, maar steeds meer kreeg ik de indruk dat hij zich bij iedere nieuwe regel voor een keus gesteld zag en dat het die keuze was die van hem zo'n concentratie vergde.
Ik staarde naar zij getourmenteerde gelaat en probeerde me te laten verleiden door zijn woorden, maar het was alleen dat gekwelde uiterlijk dat mijn hart beroerde. Zijn gezicht was asgrauw. Zijn haren leken voor mijn ogen van grijs naar wit te verkleuren. Hij leek mij een man die zich ieder moment in een afgrond kon storten, als een dergelijke afgrond zich tenminste aandiende, waar in het centrum van Parijs overigens weinig kans op was. Het werd mij zwaar te moede, maar ik durfde hem niet alleen te laten in dit voor hem schijnbaar kwellende ogenblik.
Na het eerste uur hoopte ik dat Q. vanzelf zo'n keelpijn zou krijgen dat hij wel gedwongen was zijn optreden te stoppen, maar die kerel leek wel door de duivel bezeten. Hij ratelde maar door. Sommige zinnen keerden steeds terug, maar ondanks die herhaling klonken ze me duisterder en duisterder in de oren. Buiten begon het te schemeren.
Het was al nacht toen ik de woning van Q. verliet. Achter me hoorde ik nog steeds zijn stem en als ik niet minder een man van de wereld zou zijn, zou ik zeggen dat hij nu nog immer niet is opgehouden. Dat hij een gek is staat voor mij wel vast. Maar in iedere gek zit iets tragisch en als er iets is wat ik uit deze episode heb meegenomen is het het volgende: één ding kan ik zeggen, ik was erbij toen Sysiphus zijn arbeid begon.
Je Perk