Er is een periode in Perks leven geweest waarin hij zich toelegde op het bewust maken van taalfouten. Veel mensen bevreemdt dit. Het past echter uitstekend bij zijn overige verbale liefhebberijen: de handgeplukte metafoor, de hyperbool, de irrelevante uitwijding, de dubbelzinnigheid, de schuine limmerick, de obscure allusie, de woordspeling en de doelbewuste mystificatie, alsmede bij zijn voorkeur voor eigenaardige woorden als "rabiaat", "idiosyncratisch", "meewarig" en "konkelefoezen" die hij te pas en te veel gebruikte. Perk was constant op zoek naar die plaatsen waar de taal kraakt in haar schommelstoel:
Ik hou ervan moedertje Taal te plagen totdat ze een scheet laat die zo stinkt dat iedereen in de kamer weer weet dat ze nog leeft. (PW, 1971 blz 56)
In hoog tempo maakte hij zich vertrouwd met verschillende taalfouten totdat hij ze vloeiend beheerste. Vriend en vijand verbaasde hij met zijn zinderende tautologieën, tomeloze zeugma's en parmante pleonasmen. In feilloze anakoloeten vol elliptische en contaminante pikanterie pleitte hij voor de uitbreiding van de familie der stijlfiguren met de edele stijlfouten, die de aristocratie onder de taalfouten vormden en die zo onterecht moesten hokken met werkelijke aberraties als de "dt"-fout of de beruchte "als"-"dan" verwisseling.
Wie de taalfout als norm hanteert ontdekt dat zij een systeem op zichzelf, zij het wilder & onbeschrijfelijker dan de legitieme grammatica die haar complement, vormt. Zij levert veelal een compakkende representatie van de -denering zonder afbreuk te doen aan de leesbaar- en begrijpelijkheid. (PW, 1987 blz 134)
Op zeker moment besloot hij dat het wel welletjes was. (Zijn dappere kruistocht was vastgelopen op de hordes geborneerde geesten die de taal te vuur en te tand verdedigen tegen alles wat naar nieuwlichterij riekt, en een wijs man weet wanneer hij zich gewonnen moet geven.) Wie schetst echter zijn hart toen de schrik erom sloeg? Zo grondig was hij te werk gegaan in het uitvagen van de grenzen tussen stijlfout en -figuur dat hij ze niet meer kon terugvinden. Zijn taal was naar iets nieuws geëvolueerd, maar de rest van de mensheid schatte dit niet op prijs, bestempelde hem als gestoord. Het kostte hem enige jaren in revalidatie voordat hij weer volgens geaccepteerde normen kon praten. Het enige wat hij aan de escapade overhield was een zeugmatische tic. Hij maakte zich hier niet dik om.
Ik vind dat men kleine afwijkingen moet koesteren en dit dus niet zo'n punt. (PW, 1990 blz 17)