Stad die, met instemming van haar inwoners, ietwat pocherig omschreven wordt als de autohoofdstad ven de wereld. De bevolking is er vriendelijk, maar de mensen zijn er achterdochtig.
Het wordt nog immer door velen betwijfeld of Perk ooit in Turijn geweest is. De enige aanwijzing in die richting is een brief van de onbeduidende auteur Dannielle Bocca aan zijn niet minder obscure vriend, de filosoof Marcello Mano. In deze brief beschrijft Bocca een gebeurtenis op het plein ..., waarin de hoofdrolspeler sterk op Perk gelijkende trekken vertoont:
... een mager gezicht, met sluik zwart haar. Zijn gestalte was die van een reus, zoals die in de noordelijke streken plegen voor te komen. Hij had het voorkomen van een gentleman die enigszins verdwaald leek te zijn in onze moderne wereld.
Enkele regels daarna schrijft Bocca dat hij van verscheidene mensen heeft gehoord dat de persoon in kwestie Prik heet.
Ik geef toe dat dit schamele redenen zijn om af te leiden dat het om Perk gaat. Maar als biograaf van deze illusieve figuur moet ik het doen met wat mij wordt aangereikt, soms grijpend naar strohalmen die bij nader inzien misschien niet voldoende houvast bieden. Ik bied hier de lezer een lang citaat uit de brief van Bocca aan, waaruit hij zelf zijn conclusies kan trekken.
Ik bevond mij in de schaduw van de huizen aan de oostkant toen ik hem ontwaarde. Zelfs daar was het nauwelijks uit te houden. Caro mio, wat was het een hete dag. Iedereen bleef dus wijselijk in de schaduw van de huizen, zodat het plein er verlaten bijlag. Het was dus niet meer dan normaal dat deze bonenstaak mij opviel toen hij het plein betrad.Hij leek niet gebukt te gaan onder de hitte. In tegendeel, zijn loop was eerder die van een man die bij de hand genomen door een koele bries over de piazza's flaneert. Hij had zijn handen op zijn rug gelegd, zijn hoofd lichtjes achterover. In zijn knoopsgat was een bloem gestoken die ik van die afstand niet kon herkennen, maar die anderen me later als een anjer beschreven.
Op dat korte moment leek hij me ontastbaar. En ik deelde in zijn ontastbaarheid. Beiden waren we nog onbekend met de catastrofe die hem even daarna zou overvallen.
De rust van het plein werd verstoord door een vloek. Ik zag een paard en wagen het plein opkomen. Het paard, dat oud en ongeborsteld was, werd aan de teugels geleid door een nors uitziende man. Aan de kleding van dit sujet te zien ging het om een marktkoopman. Hij had een sjaaltje om zijn hoofd geknoopt zoals zigeuners wel doen en de mouwen van zijn witte hemd waren opgestroopt zodat zijn gebronsde onderarmen zichtbaar waren. Aan zijn broekriem bengelde een stok die marktkramers plegen te gebruiken om dieven en ander ongewenst volk van hun handelswaar te verjagen. Zijn gezicht was ongeschoren en aan zijn onderlip plakte een stompje sigaar. Hij vloekte onophoudelijk.
Het oude paard maakte een onwillige indruk, wat met de hitte van die dag niet opmerkelijk was. Zijn begeleider sjorde aan de teugels en kreeg allengs een steeds geërgerder uitdrukking op zijn gezicht. De kar achter het paard was volgeladen met fruit en werd omringd door een zwerm vliegen. Het paard leek zich schrap te zetten tegen het geweld van zijn baas, die hem leek voort te trekken over het plein.
Ik keek naar de man die ik je eerder heb beschreven. Hij was stil blijven staan in de zinderende hitte en keek net als ik naar het tafereel tussen man en paard. Zijn armen hingen nu slap langs zijn lichaam en hij leek te schokschouderen. De koopman, die met het paard op het midden van het plein was aangekomen, had inmiddels de teugels met één hand losgelaten en de stok van zijn riem losgemaakt. Met een felle beweging liet hij de stok op de hals van het paard neerdalen, tegelijkertijd een machtige vloek uitbrakend. Het paard was enigszins uit zijn evenwicht gebracht, maar bleef halsstarrig weigeren in de juiste richting te bewegen. Nogmaals hief de koopman zijn stok op. Hij raakte het dier nu vol op de flanken. Zijn getier werd steeds heviger en opnieuw daalde een stokslag neer op het arme dier.
Ik richtte mijn blik weer op de lange man. Ik zag dat hij in tranen was uitgebarsten bij de droevige aanblik die onze stad hem bood, en ik moet toegeven dat ik me op dat moment voor mijn stadgenoot schaamde.
Met donderend geraas zakte het paard met kar en al door de knieën. Fruit rolde over het plein en vanuit alle hoeken schoten plotseling jonge schavuiten toe die zich over die voedzame schatten ontfermden. De koopman slaakte een gil en begon wild in te hakken op de jonge dieven die echter weinig onder de indruk waren. Steeds als het leek dat hij één van hen zou raken, sprong zijn slachtoffer juist op tijd weg, of werd de koopman door één van de andere jongens uit zijn evenwicht gebracht. Binnen enkele minuten was er van de koopwaar niets meer op het plein te zien en met de koopwaar verdwenen ook de jongens.
De koopman was buiten zinnen. Hij schopte een aantal maal tegen de omgekieperde kar en begon toen als een blindeman met de stok op zijn arme paard in te hakken. Het leek alsof hij na het verlies van zijn handel ook zo snel mogelijk korte metten wilde maken met de rest van zijn bezittingen. Het dier brieste wanhopig onder de aframmeling, maar ondanks verwoede pogingen lukte het hem niet oevereind te komen, omdat hij neergetrokken werd door het gewicht van de kar.
Ik zag dat de vreemdeling paard en koopman tot vlakbij was genaderd. Eerst leek het of hij een poging zou doen de koopman tot de orde te roepen, maar hij leek opeens een ander besluit te nemen. Als je de volgende regels niet gelooft beste vriend, kan ik je geen ongelijk geven, want wat er gebeurde leest men slechts in romans. De vreemdeling wierp zich plotsklaps om de hals van het paard. De koopman, verblind door woede, bleef zonder pardon uithalen met zijn stok. Maar hij raakte niet langer zijn dier, maar de rug van de man. Tientallen slagen daalde op hem neer en ik dacht dat hij het niet zou overleven. De jonge dieven, zonet nog in hun schuilholen verdwenen, stroomden weer toe, nu als aandachtige toeschouwers. Ze vormden een kring rond het tafereel en moedigden de koopman aan zijn hele gewicht achter de slagen te zetten. De koopman, die inmiddels de man rond de paardenhals moet hebben opgemerkt, liet zich door zijn publiek inspireren tot een aantal extra energieke beuken.
Het had werkelijk niet veel langer moeten duren, of de vreemdeling was bezweken onder de aanhoudende slagenregen. De hemel kwam hem echter te hulp, want zonder waarschuwing brak een donderbui los die alle spelers van het toneel verjaagde, behalve de vreemdeling en het paard. Ik vluchtte Luigi's binnen. Door het raam zag ik in de mist van de regen de man en het paard stil, maar levend, badend in het hemelwater. Daarna werd de lucht zo donker en de regen zo hard dat ik niets meer kon zien. Nooit eerder is de regen zo hard op Turijn neergedaald, en ik kon slechts denken dat God ons strafte voor de ontvangst die de vreemdeling in onze stad had gehad.
Toen na een uur de regen verdween en ik weer zicht had op het plein was daar alleen nog de kar. Is dat geen mooi verhaal Marcello?
De brief is niet gedateerd, maar is waarschijnlijk afkomstig uit het jaar 1887. Er wordt in geen enkele betrouwbare publicatie betreffende dit jaar melding gemaakt van abnormale weersomstandigheden in of rond Turijn.