|
Hoofdstad van Oostenrijk. Staat al een eeuw lang op het punt definitief ten onder te gaan. Bewijs dat liberalisme en fascisme prima samen kunnen gaan. |
Hoe vaak Perk Wenen bezocht weten we niet. Aantekeningen in dagboeken en brieven maken niet altijd duidelijk in welke stad ze geschreven zijn. Zo staat in een brief van 18 januari 1876 aan M. een lange beschrijving van de stad W. die door sommige biografen voor Wenen wordt aangezien (zie o.a. J. Waterspuwers biografie Dubbelspleet, 1985, blz 235). In de brief aan M. schrijf Perk over dit W.
De stad gelijkt de taal. In haar centrum vinden we het stadhuis, enkele kerken en de grote bankgebouwen. Zij zijn de zelfstandige naamwoorden die het subject zijn binnen de stedelijke grammatica. Ze worden omgeven door de huizen van de burgers; willige objecten waarvan sommigen met gevels pronken als met een glimmend zelfstandig naamwoord. De wegen en lanen die de objecten met hun subjecten verbindt zijn als de werkwoorden, die de grammatica kracht en souplesse geven.Aan de buitenkant van de stad vinden we kleine huisjes, onaanzienlijk, bewoond door onaanzienlijk werkvolk dat als een bepaling van modaliteit de zin van de stad ter discussie stelt.(PW, 1886, blz 100)
Hoe men uit zo een algemene beschrijving kan concluderen dat het om de oostenrijkse hoofdstad gaat is me een raadsel. Het is waarschijnlijker dat Perk zich in de laatste maanden van 1886 in Engeland bevond gezien zijn voortdurende klachten over het weer en het eten in zijn brieven aan M. Het zou in dat geval kunnen gaan om de Londense wijk Wembley, waar Perk de feuilletonschrijver Stevenson bezocht met wie hij een korte correspondentie voerde aangaande het geest/lichaam probleem.
Het is zeker dat Perk Wenen drie keer bezocht. Eén maal in 1904, bij welke gelegenheid hij Sigmund Freud ontmoette. Eén maal in 1926 toen hij op bezoek ging bij Karl Krauss, met wie hij een levendige doch eenzijdige correspondentie onderhield. De eerste maal dat Perk Wenen bezocht was rond 1860 (in zijn dagboeken gebruikt hij soms maandenlang geen data bij aantekeningen, voor sommigen een reden de dagboeken als vervalsingen af te doen, zie onder andere P. Oudevent: Het Perkcomplot. ) toen hij de schrijver Adalbert Stifter bezocht. In een brief aan M. schrijft hij:
Ach mijn lief, wat was ik geraakt toen ik S roman Nachsommer las. Niet eerder las ik het zo duidelijk bij een ander. Het is alsof mijn jarenlang roepen eindelijk weerklank vindt. Want wat wordt er in dit schone boek beweerd: dat wat ik al zo vaak beweerd heb, dat dat wat ons onderscheidt van de barbaren, wat ons apart zet van de filistijnen die zo ampel onze wereld bevolken, wat ons uittilt boven onze minder sensibele tijdgenoten is DE TUIN.
In Stifters roman vindt de hoofdpersoon Heinrich tijdens een onweer een schuilplaats in een schitterende tuin. Na eerst betoverd te zijn geraakt door de tuin bemerkt hij al snel dat niet de natuur oorzaak is van haar schoonheid, maar dat ze een triomf is van menselijke ijver en artistiek inzicht. In deze tuin vindt de held de juiste omgeving om zich te ontwikkelen tot een moreel mens.
Een zelfde theorie had Perk zelf een aantal jaren daarvoor ontvouwd in zijn studie Over de tuin als beeld van een wereld zoals het zou moeten zijn maar het niet is. In dat boek schrijft hij:
Eerder dan een huis heeft een mens een tuin nodig. Want een huis is niet anders dan een door anderen ingeperkte ruimte die door de bewoner moet worden veroverd, maar de tuin is een door mensenhanden gesmeed verbond tussen rede en natuur. In de tuin vindt men het karakter van de tuinman; heeft hij een rustig gemoed en een goed hart dan zal er harmonie uit zijn werk spreken; is hij een wildebras en een luiaard dan zullen zijn planten en struiken de orde van zijn tuin overmeesteren. Zo is de tuin een spiegel van de ziel van de tuinman en is ze de beste manier om te herkennen of men met een goed of een slecht mens van doen heeft. (PW, 1855, blz 70)
Of het van een ontmoeting met Stifter gekomen is weten we niet. De dagboeken die volgen op het fragment wat hierboven geciteerd werd zijn onvindbaar, Er wordt beweerd dat ze in handen zijn van de Japanse zakenman Nozaki, een geducht verzamelaar van Perk-parafernalia, maar meer als een gerucht is dat bericht op dit moment niet en ik pas ervoor me met dit soort praatjes in te laten.